Het gemiddeld verwacht leesniveau is een inschatting van het taalniveau dat een lezer gemiddeld nodig heeft om een tekst te begrijpen. Dit niveau wordt uitgedrukt in het Europees referentiekader voor talen, ook wel CEFR of ERK genoemd. De niveaus lopen van A1 (zeer laag) tot C2 (zeer hoog). Een tekst op B1-niveau is leesbaar voor iemand met een B1-leesvaardigheid — niet andersom.
Welke score zie ik in Tolkie Gebruikersonderzoek en Tolkie Webmonitoring?
In onze rapporten tonen we niet alle zes CEFR-niveaus apart, maar vier praktische categorieën: A2-, B1, B2 en C1+. Dat doen we omdat het onderscheid tussen bijvoorbeeld C1 en C2 voor de meeste teksten weinig praktische betekenis heeft, terwijl het verschil tussen A2 en B1 juist bepaalt of een grote groep lezers een tekst wél of niet kan volgen.
Zo lees je de vier categorieën:
A2- — de tekst is geschreven op A2-niveau of eenvoudiger. Dit is het niveau dat aansluit bij laaggeletterden, mensen in inburgering en de meeste anderstaligen.
B1 — de tekst is leesbaar voor mensen met een vmbo-, mbo- of havo-achtergrond. Dit is het niveau dat de Rijksoverheid aanhoudt als richtlijn voor begrijpelijke overheidscommunicatie.
B2 — de tekst vraagt een hoger opleidingsniveau om zonder moeite te volgen, vergelijkbaar met havo/vwo-bovenbouw of beginnend hbo.
C1+ — de tekst is op C1-niveau of hoger: complexe zinsbouw en veel formeel of vakinhoudelijk taalgebruik. Alleen goed te volgen voor hoogopgeleide lezers.
Een score van B1 in het Webmonitoring-rapport betekent dus: we verwachten dat mensen met minimaal B1-leesvaardigheid deze tekst kunnen begrijpen. Hoe hoger het niveau, hoe kleiner de groep lezers die de tekst zonder moeite kan volgen.
Zijn taalniveaus niet bedoeld voor mensen die een taal leren?
Dat is hoe ze begonnen zijn, ja. Het Europees referentiekader werd in 2001 gepubliceerd en was oorspronkelijk bedoeld voor vreemdetalenonderwijs — om bij te houden hoe goed iemand een andere taal dan zijn moedertaal beheerst. A1 en A2 zijn voor beginners, B1 en B2 voor mensen die zich redelijk kunnen redden, C1 en C2 voor gevorderde gebruikers. In de communicatiewereld is het gebruik inmiddels verbreed: taalniveaus worden nu ook gebruikt om de complexiteit van teksten zelf aan te duiden. Als we zeggen dat een tekst op B1-niveau geschreven is, bedoelen we: leesbaar voor mensen die minimaal B1-leesvaardigheid hebben.
En dan zijn er ook nog 1F, 2F, 3F en 4F — wat is dat?
Dat zijn de referentieniveaus uit het Nederlandse onderwijs, ook wel de Meijerink-niveaus genoemd. Ze zijn in 2008 vastgesteld door een commissie onder leiding van Henk Meijerink, op verzoek van het ministerie van Onderwijs, en zijn wettelijk verankerd via de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen (2010). Ze beschrijven wat leerlingen op verschillende momenten in hun schoolloopbaan aan taalvaardigheid moeten beheersen:
1F — niveau aan het einde van de basisschool
2F — niveau aan het einde van vmbo/mbo 3, het maatschappelijk basisniveau
3F — niveau aan het einde van havo/mbo 4
4F — niveau aan het einde van het vwo
Hoe verhouden CEFR en de F-niveaus zich tot elkaar?
De twee systemen zijn apart ontwikkeld, maar overlappen in de praktijk aanzienlijk. Het verschil zit vooral in de doelgroep: CEFR is ontwikkeld voor mensen die Nederlands als tweede taal leren (NT2), de F-niveaus voor mensen die met Nederlands zijn opgegroeid (NT1).
NT1 | Instroom | 1F (eind basisschool) | 2F (eind VMBO) | 3F | 4F (eind VWO) |
NT2 | A1 | A2 (inburgering) | B1 (Staatsexamen 1) | B2 (Staatsexamen 2) | C1 / C2 |
A2 wordt in de communicatiewereld gezien als het niveau van laaggeletterden en mensen in inburgering — vergelijkbaar met 1F in het onderwijs. Dat is ook precies waarom onze laagste scorecategorie "A2-" heet: het dekt zowel A1 als A2, oftewel iedereen tot en met instroomniveau/1F.
Wie zijn eigenlijk laaggeletterden?
Laaggeletterdheid betekent dat iemand moeite heeft met lezen, schrijven of rekenen. Stichting Lezen en Schrijven telt 3,3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder in Nederland die laaggeletterd zijn — mensen die op of onder 1F/A2-niveau lezen. Dat is 1 op de 5 volwassenen. Het gaat lang niet alleen om nieuwkomers of anderstaligen: ook mensen die in Nederland zijn geboren en opgegroeid, maar door omstandigheden — leer- of taalproblemen, thuissituatie, onderbroken scholing — nooit een hoger leesniveau hebben bereikt, vallen in deze groep.
Bron: Stichting Lezen en Schrijven (10 december 2024)
Wat zegt B1 dan eigenlijk voor mijn communicatie?
Als jullie consequent op B1-niveau schrijven, is jullie communicatie al goed leesbaar voor het grootste deel van de bevolking: mensen met een vmbo-, havo- of mbo-opleiding. Dat is een enorme stap vooruit ten opzichte van hoe de meeste overheids- en semipublieke organisaties nu schrijven. Maar het bereikt nog niet iedereen. Voor de 3,3 miljoen laaggeletterden, voor nieuwkomers en voor anderstaligen is B1 nog te ingewikkeld. Zij zijn geholpen met teksten op A2-niveau: korte zinnen, heel gewone woorden en visuele ondersteuning.
Hoe bepaalt Tolkie dit niveau?
Tolkie heeft hier een eigen model voor getraind. Om te kunnen inschatten op welk taalniveau een tekst ligt, moet het model de Nederlandse taal door en door kennen — niet alleen de grammatica, maar ook welke woorden gewoon zijn en welke zeldzaam of formeel. Daarvoor is gebruikgemaakt van het corpus van GPT-NL: een grote verzameling Nederlandse teksten die ook informatie bevat over woordfrequentie. Zo kan ons model niet alleen kijken naar zinsstructuur, maar ook inschatten hoe vertrouwd de woorden in een tekst zijn voor de gemiddelde lezer. Dit model draait volledig binnen Tolkie — zonder generatieve AI, zonder ChatGPT: betrouwbaar, consistent en veilig in Europa.
